'Ik zit mij voor het vensterglas
onnoemelijk te vervelen.
Ik wou dat ik twee hondjes was,
dan kon ik samen spelen".

*

"Vindt een huisheer wel iemand onder zijn huisgezin, die hem eene ongeveinsder en levendiger vreugd, dan zijn hond betoont?"

*

 

"Als de hond geld heeft, zegt men meneer hond"

*

"Komt men over de hond, dan komt men over de staart."

*

Als je de grootste moeilijkheden overwonnen hebt, dan gaat de rest een stuk makkelijker.

*

"De hond is, onder de viervoeters,
mensen beste kameraad en trouwste vriend".

"Bij kleine hapjes leert men een hond eten"
Geleidelijk aan kun je zelfs aan onmogelijke dingen gewend raken.

*


"Zo trouw als een hond!" (Zeer trouw zijn)

*

"In zijn eigen huis is de hond een leeuw"

*

"Als je de staart van een hond een poot zou noemen, hoeveel poten heeft hij dan? Vijf?
Nee, vier. Een staart een poot noemen, maakt hem nog geen poot!

*

"Als een dolle hond te keer gaan." 
(Onbezonnen te werk gaan)

*

"Er zijn eigenaars die een hond gevaarlijk maken.
Jammer dat het steeds weer de hond is die hiervan de gevolgen moet dragen."

*